Egypte

De zon, machtigste aller hemellichamen, beëindigt zijn dagelijkse tocht over de Egyptische woestijn. Ver voor onze jaartelling was de zonnegod Ra vele honderden jaren lang de belangrijkste van alle goden in dit land. Dagelijks keek hij neer op zijn volk: de boeren op het land, de soldaten aan verre grenzen, de tempelbouwers, priesters en koningen. Aan het eind van de dag, daalde hij af langs de piramiden, de onderwereld in. Daar leefden de doden in een wereld die dezelfde was als die langs de grote rivier. Zij waren het, die tijdens hun leven vele eeuwen onafgebroken de tempels bouwden, piramiden, de mysterieuze beelden; in een tijd waarin, ver van deze plek andere volken nog leefden in het duister van de historie.


"Egypte is het geschenk van de Nijl"
. Dat schreef enkele honderden jaren voor Christus de Griekse geschiedschrijver Herodotus, nadat hij Egypte had bezocht. De Nijl met zijn afzettingen, die seizoensgewijs na overstromingen, op de oevers terecht kwamen, die vruchtbare afzettingen waarop het allemaal groeit: de planten, de bomen, het fruit, de groente, het suikerriet. Ja, die Nijl is erg belangrijk voor dit land, want daarbuiten, buiten die strook is er vervolgens niets meer. Alleen maar zand, droge kale bergen en schroeiende zon. Er moeten duizenden jaren geleden toch heel bijzondere mensen in dit land hebben gewoond om een cultuur tot stand te brengen die wij nu kennen, sinds er ongeveer 150 jaar geleden door Fransen en Engelsen is begonnen met het uitgraven van de grote schatten die Egypte herbergt.

Het eerste bewijs van die buitengewone beschaving waren voor Herodotus de immense piramiden die oprijzen uit het woestijnzand. Gebouwd voor de eeuwigheid waren het graftomben voor koningen die even machtig waren als de goden. Uit eerbied werd zo'n koning in zijn tijd nooit bij naam genoemd, maar aangeduid als de Farao, wat betekent: het grote huis. Het paleis waarin hij woonde. De eerste Farao’s werden begraven in een ruimte in het woestijnzand, onder de piramide.

foto: piramides van Cheops

Veel overblijfselen van die oude beschaving zijn verloren gegaan, vernietigd, of letterlijk bedolven onder meters woestijnzand; de vroegere bezoekers aan dit land achterlatend met mysterieuze legenden over een eens zo machtig rijk. Sommige verhalen zijn terug te vinden in het Oude Testament.
Maar ons huidige beeld van het oude Egypte is niets meer dan een puzzel, waarvan vele stukjes wel nooit meer gevonden zullen worden.

Vlak boven Sakkara, waar honderden eeuwen geleden de eerste piramiden werden gebouwd, ligt nu de hoofdstad Caïro.
Waren de piramiden lange tijd de grootste bouwwerken ter wereld, nu is Caïro één van de grootste steden ter wereld. Er wonen ruim veertien miljoen mensen.
Aan de rand van de stad staat de Mohammed Ali moskee, een van de mooiste bouwwerken uit de jongere geschiedenis van het land. De moskee is midden vorige eeuw neergezet op de Citadel, een eeuwenoude vesting die gedeeltelijk is opgebouwd uit marmer en rijkelijk versierd met smeedwerk. Ook het grote binnenplein wordt door galerijen omgeven. In het midden van het plein, voor de ingang van de moskee staat een rijkelijk versierde fontein. Daarachter de klokkentoren, geschonken door de Fransen. De enorme gebedshal wordt overdekt door een aantal reusachtige koepels in Byzantijnse stijl. De gekleurde ramen geven de bezoekers iets mee van de betoverende schoonheid van het interieur, bijvoorbeeld de Member, de preekstoel van de Imam, met daarnaast de vergulde nis, die de gelovigen de richting van Mekka wijst. Niemand mag de gewijde grond zonder sloffen betreden.
De Necropolis, vlakbij de moskee, is de stad van de doden. Het is één aaneenschakeling van begraafplaatsen, enkele daarvan daterend uit de dertiende eeuw. Ze zijn nog steeds in gebruik. Naast de praalgraven staan huisjes voor de grafbewaarders; ook in de huisjes zijn tomben. Hoewel de doden lang na het Oude Egypte van de Farao’s zijn begraven, dringt zich de vergelijking met de dodencultus uit de oudheid op: graven, gebouwd voor de eeuwigheid. Maar veel grafhuisjes zijn gekraakt. Hier leven, temidden van de doden en gedwongen door woningnood, meer dan honderdduizend mensen.
Alleen de grafbewaarder heeft het recht van toegang tot de grafhuisjes. Een alleenrecht, zoals dat eeuwen geleden voor de tempels uitsluitend was voorbehouden aan de Farao’s en de hogepriesters.

Er waren veel godheden wier rol van plaats tot plaats verschilde en van tijd tot tijd veranderde. Maar één was aanvankelijk de belangrijkste: de Zonnegod Ra. Later, tijdens de glorietijd van Egypte, zou diens plaats worden ingenomen door Amon, tot dan toe een god die alleen in de stad Thebe werd vereerd. Maar toen Thebe hoofdstad werd van de twee verenigde koninkrijken Boven- en Beneden Egypte werd hij zonnegod van het hele land. De Farao was van goddelijke afkomst. Tijdens de kroningsceremonie maakte de zonnegod hem tot zijn opvolger. De Farao was dus diens plaatsvervanger op aarde; bemiddelaar tussen mensen en goden. Deze reusachtige standbeelden van Farao Amenthotep de Derde zijn het enige wat nog rest van zijn graftempel.

Iets verderop, tegenover de stad Luxor, waar eens Thebe lag, staat een reusachtige

Foto: Vallei der Koningen

tempel, gewijd aan Amon. Gebouwd door de enige vrouw die zich met hulp van de machtige priesters liet kronen tot Farao. Haar naam was koningin Hatsepsút.

Dat haar troonsbestijging regelrecht indruiste tegen de religieuze regels betreffende de mannelijke afstamming van de Farao’s, deerde niet de priesters verklaarden doodeenvoudig, dat zonnegod Amon het zo wilde. Het is geen wonder, dat de imposante bouwwerken in deze omgeving al in het verleden tot de verbeelding van kunstenaars spraken. Wereldberoemd zijn de tekeningen van de Schot David Roberts. In 1838 maakte hij een kleurenschets van de tempel van Karnak. Toen Roberts zijn schetsen maakte, lag deze tempel onder een meters dikke laag modder. Heel veel van deze monumenten zijn hersteld, maar ook heel veel wachten nog op restauratie.

De tempel van Karnak ligt vlak boven de stad Luxor. Ook dit enorme complex is gebouwd ter ere van de god Amon. Alleen de priesters en de Farao mochten hier komen. In de tijd dat de tempel gebouwd werd, beschikte Egypte over een enorme militaire macht. Hier en daar verhalen afbeeldingen in het complex van de militaire successen. De krijgsgevangenen die daarbij werden gemaakt, werden grotendeels overgedragen aan de priesters, die ze hard nodig hadden voor de bouw van de enorme tempels.
Voor het maken van stenen sarcofagen (doodskisten), standbeelden en obelisken bijvoorbeeld, gebruikten de oude Egyptenaren onder meer een roze graniet. Dat graniet komt uit de omgeving van Aswan. De grootste obelisk ooit ter wereld, met een totale lengte van meer dan 40 meter, met een basisbreedte van ruim 4 meter, had een totaal gewicht moeten krijgen van bijna 1200 ton. Het werk is nooit afgemaakt, niemand weet precies waarom. Hoogstwaarschijnlijk omdat deze steenmassa is gaan scheuren en barsten en toen was het wellicht niet meer de moeite waard het karwei nog af te maken.
Het steenhouwen geschiedde met grote zware bollen van een hardere steensoort dan die van de te maken obelisk. Door het laten vallen van deze bollen sprongen er schilfers van het graniet. En door dat maar lang en vaak genoeg te doen, ontstond er vanzelf een geul rondom. Om het graniet los van de bodem te krijgen boorde men gaten onderin en daarin kwamen houten pinnen of wiggen, welke werden natgemaakt en waardoor het hout ging zwellen. Door de kracht van het gezwollen hout, krakte vanzelf zo'n enorm steenblok los van de rest van de stenen omgeving.
Zo'n monument (1.200.000 kilo roze graniet) werd dan vervoerd naar Thebe, naar Luxor, naar Memphis. Het geheel ging op een aantal schepen en men zakte in noordelijke richting de Nijl af naar de plaats van bestemming. Daar moest dan zo'n gigantisch zwaar monument weer worden overgeladen aan land en worden getransporteerd naar de definitieve bestemming.

De steengroeven, waar het materiaal vandaan gehaald werd voor de monumenten die het Egypte van nu tot een toeristische trekpleister hebben gemaakt, liggen bij Aswan. Hier perste de Nijl zich door een rotsachtige vernauwing. Vroeger was dit een woeste stroomversnelling en lange tijd was ook hier de grens van het rijk. Met boten werd het bouwmateriaal stroomafwaarts vervoerd naar de steden, verspreid langs de beide oevers van de Nijl. Niet alleen krijgsgevangenen en slaven werkten mee aan die bouwwerken. Ook de bevolking zelf werd ingeschakeld. Ieder jaar, rond de maand juni, trad de Nijl buiten haar oevers. Voor de boeren was dat de tijd om mee te helpen aan de gigantische bouwprojecten in plaatsen als Sakkara, Tell el Amama, Thebe en Abu Simbel.
foto: piramide in Sakkara

Ook Luxor was zo'n stad waar volgens de Griekse schrijver Homerus "De bouwwerken zoveel rijkdommen bevatten en waar honderd deuren opengaan om door elk tweehonderd strijders met hun paarden en strijdwagens te laten vertrekken".
De ingang van de tempel, wordt bewaakt door kolossale beelden en een obelisk. Een tweede Obelisk werd in de vorige eeuw aan Frankrijk geschonken. Nu staat hij temidden van het chaotische Parijs verkeer. De tempel van Luxor werd een verlaten ruïne naast een onbetekenend dorpje, maar nu heeft men het complex uitgegraven en gerestaureerd. Veel van de gevonden kleurrijke kunstschatten zijn nu te vinden in het Luxor museum.
Amenhotep de Derde begon met de bouw van deze tempel. Maar net als in Karnak, hebben latere Farao’s als Toet-Anch-Amon en Ramses de Tweede het bouwwerk verder uitgebreid. Er zijn schitterende reliëfs bewaard gebleven, waarin een deel van de geschiedenis tijdens Amonhotep's regering wordt uitgebeeld. Over de reliëfs zijn fresco's aangebracht. Tekenen, die wijzen op een later en ander gebruik van deze tempels. Zo duikt er ook ineens een minaret op. Daaronder een moskee, gebouwd op de restanten van een christelijke kerk, gebouwd op een Romeinse tempel en Egyptische resten.

Er is één periode geweest in de geschiedenis van Egypte, waarin compleet werd afgerekend met de tot dan toe heersende gewoonten en gebruiken op religieus en politiek gebied. Een periode waarin de macht van de militairen en de priesters werd ingedamd en waarin de talloze goden die tot dan toe werden aanbeden werden afgezworen. De vele tempels werden gesloten en de naamsaanduidingen van de diverse godheden, die in de muren waren gegraveerd in zogeheten Cartouches (ovale rechtopstaande figuren) werden weggekrast. Men wilde daaraan niet meer herinnerd worden.
Er kwam één nieuwe god: Aton.
Thebe verloor zijn belang als hoofdstad van het Egyptische Rijk. De man die daarvoor verantwoordelijk was, was meer huisvader dan heerser, meer humanist dan regent, meer dichter dan staatsman. Tot dan toe heette hij Amenhotep IV. Zijn nieuwe naam was Achn-Aton.
De dichter/filosoof Achn-Aton zag dat de politieke macht van de priesters veel belangrijker was geworden dan hun religieuze rol. Eenmaal tot Farao benoemd, stampte hij in drie jaar tijd een nieuwe hoofdstad uit de grond op een kale vlakte, ver weg van Thebe. De stad, halverwege Cairo en Luxor, heette Akhet-Aton, genoemd naar de nieuwe en enige God die gesymboliseerd werd door de Aton, de zonneschijf.
Het bestaan van Achn-Aton was lange tijd omgeven met raadsels, want opgravingen in de vorige eeuw maakten duidelijk dat er tijdens zijn bewind nog iemand moet hebben geleefd, die even machtig zou zijn geweest als de Farao. Men wist maar één ding over deze mystieke persoon: uit inscripties dook de benaming op "De schoonheid is gekomen". In het Egyptisch: Nefertite. Op 25 november 1912 werd de beeltenis van Nefertite gevonden.
Als overal ter wereld geldt ook in Egypte het huwelijk als meest intiem verbond tussen man en vrouw. En zo was het ook met Achn-Aton en zijn vrouw Nefertite. Zij was een buitenlandse prinses, die al eerder getrouwd was met niemand minder dan Achn-Aton's vader. De Farao en zijn beeldschone vrouw bekommerden zich nauwelijks om militaire zaken en politieke intriges. Hun wittebroodsweken duurden enkele jaren. Het volk droeg het koningspaar op handen; er waaide een nieuwe wind door het land. Doodstraffen waren er niet meer en de kunst kwam tot nieuwe bloei. Ze lieten een droomstad bouwen, ooit de mooiste ter wereld, waar meer dan honderdduizend mensen woonden. Door de haast waarmee zij gebouwd moest worden werden bouwstenen gebruikt van leem en stro. Deze stad ging weinig langer mee dan Achn-Atons regeerperiode. Het weinig tastbare wat is overgebleven zijn de reliëfs, waaruit blijkt dat taferelen uit het dagelijks leven als inspiratie hebben gediend. In de graftombe van Achn-Aton is een afbeelding te zien, waarop Achn-Aton en zijn vrouw de Aton vereren. Deze afbeelding toont ook dat Achn-Aton naar verhouding veel te lange ledematen en een hangbuik heeft. Hij leed aan een ziekte, die vermoedelijk ook zijn hersenen heeft aangetast. Misschien daarom wel dat het later tot een breuk kwam tussen hem en Nefertite. Hij stierf na 17 jaar regeren. Temidden van tientallen andere graven ligt Achn-Aton's tombe in het dal der Koningen nabij Thebe.

Een opvolger, een zoon, was er niet en in een poging de godsdienst van de zonneschijf veilig te stellen, schoof Nefertite een 11-jarig familielid naar voren. Hij werd de nieuwe Farao, die vele eeuwen na zijn dood wereldberoemd zou worden. Onder druk van de oude priesterelite heeft deze jonge Farao, Toet-Anch-Amon, de droomstad van zijn voorganger verlaten om in Thebe de oude godsdienst weer in ere te herstellen.
Lang heeft Toet-Anch-Amon niet geregeerd, want hij stierf al toen hij 18 jaar oud was. Waarschijnlijk is hij vermoord, want nog niet zo lang geleden is gebleken bij een onderzoek van zijn mummie, dat er een gat achter in zijn schedel zat. Zijn gebalsemde lichaam werd gevonden door een Engelse Egyptoloog: Howard Carter, in 1922. Hij trof Toet-Anch-Amon aan in een grafkelder, rijkelijk versierd en met in het midden een rood stenen sarcofaag en in die sarcofaag de houten vergulde doodskist van de Farao. Howard Carter ging kort na zijn vondst terug naar Engeland, maar van de immense schatten, die nooit mooier in heel Egypte werden ontdekt, nam hij wel enkele kostbare stukken mee. Daar heeft hij niet veel plezier van gehad, want kort na zijn terugkeer in Engeland overleed hij aan een mysterieuze ziekte.
"De wraak van de Farao’s", zei men toen. Waarschijnlijk hingen er, toen het graf na 3000 jaar door hem werd geopend, merkwaardige, onbekende micro-organismen, die een (toen onbekende) ziekte, hebben overgebracht op Carter.

Verder naar het zuiden wordt de Nijlvallei steeds nauwer. Vroeger stonden de velden naast de Nijl jaarlijks onder water. De Nijl deponeerde dan ook iedere keer vruchtbaar slib langs haar oevers. De plaats Aswan speelt in de geschiedenis van Egypte een belangrijke rol. In de allereerste jaren van de Egyptische beschaving geloofde men zelfs dat er achter de stroomversnelling van Aswan niets meer was; daar zou dus de wereld eindigen. Vroeger was de Nijl hier een woeste, kolkende massa die zich met bruut geweld een weg baande langs de rotsen. De Nijl is nu getemd. Overstromingen zijn al sinds 1922 niet meer. Toen werd er bij Aswan een dam gebouwd, waardoor de boeren het hele jaar verzekerd waren van een regelmatige watervoorziening. Naarmate de bevolking toenam. was er meer behoefte aan water. Er moest een stuwmeer komen. Een waterkering die Egypte welvaart en geluk zou brengen. Die dam werd de Hoge Aswan dam, die nu voorziet in meer dan 50% van de energievoorziening. Het bouwwerk is maar liefst 110 meter hoog. Foto's maken is hier verboden; de dam is militair gebied, aangelegd met hulp van de Russen. Toen de dam in 1970 voltooid was, ontstond er achter de dam een meer.
Een gigantisch meer van gemiddeld 150 meter diep, op zijn breedste punt 35 km breed en maar liefst 510 km lang tot ver over de grens met het buurland Soedan. Mocht, als de dam zou breken deze watermassa zich ooit naar beneden storten, dan komt 98% van de Egyptische bevolking die langs de Nijl woont om het leven. Toen het water van dit stuwmeer destijds begon te stijgen, ontstond er één ernstig probleem Het tempelcomplex van Abu Simbel dreigde door het stijgende water onder de waterspiegel te verdwijnen.

De tempel van Abu Simbel, een imposant monument, staat in het uiterste zuiden van het land. Gebouwd onder Ramses de Tweede, die met de in de rotswand uitgehakte tempel ongetwijfeld indruk wilde maken op de volkeren ten zuiden van zijn rijk.
Het bouwwerk zou door de nieuwe dam overspoeld worden door het Nijlwater als niet de hele wereld zich had ingespannen om dit monument te redden. De UNESCO ontfermde zich over de tempel, die in zijn geheel in blokken werd gezaagd. Zestig meter hoger werd de tempel van Abu Simbel weer in elkaar gezet.

De Philae tempel, een heiligdom bij Aswan stond na de bouw van de oude dam al gedeeltelijk blank. De nieuwe dam zou de tempel geheel onder water hebben doen verdwijnen. Daarom werd ook deze tempel steen voor steen afgebroken en vervolgens weer opgebouwd op een nabijgelegen eilandje, dat alleen per boot bereikbaar is.
Naar Egyptische begrippen is de tempel nog jong, uit de tijd van de Grieken. Aan het kleurverschil is te zien, tot waar de tempel tijdens de overstromingen in het water heeft gestaan. In deze tempel ziet men Malthezer kruisen en een altaar met een kruis. Al heel vroeg had het Christendom hier haar intrede gedaan. Het lijkt wel alsof de Egyptenaren hun oorspronkelijke geloof in één keer de rug hebben toegekeerd. Hoewel de tempel is verplaatst, liggen ook hier nog genummerde brokstukken, wachtend op restauratie. Zoals trouwens bijna overal in Egypte het geval is. Maar restauratie is bijna onbetaalbaar en de tijd dringt.

Onze generatie zal definitief de laatste zijn, die in volle glorie zal kunnen genieten van alles wat er nu nog uit de bodem van Egypte wordt gehaald op het gebied van monumenten. Over een jaar of 20 zal alles wat nog uit de grond komt, aangetast zijn door water en zout en zal afbrokkelen. Omdat de monumenten in hoofdzaak gebouwd werden van zandsteen, zal onder invloed van dit zout en water de zandsteen zijn aangetast als het boven de grond komt. Steen wat helemaal zacht is geworden en waar je zomaar stukken vanaf kunt breken en die je vervolgens in je hand kunt verpulveren tot gelig zand. De oorzaak hiervan is dat, toen vroeger de Nijl overstroomde het land onder water kwam te staan. Als de droge tijd weer aanbrak, trok het water zich terug naar de Nijl en nam het zout weer mee. Dat werd afgevoerd richting Middellandse Zee. Sinds de bouw van de hoge Aswan dam en het Nasser stuwmeer zijn die overstromingen er niet meer. Dus dat water en zout blijven in de grond zitten. Vandaar de slechte staat van de stenen.

Het oorspronkelijk geschenk van Egypte, de Nijl is ver voor Christus door een hoogstaand volk uitgebouwd tot wat duizenden jaren lang het centrum van de wereld zou zijn. Nu dreigt die Nijl, ook door menselijk ingrijpen, de erfenis van die cultuur zware schade toe te brengen. Dat gaat niet alleen de Egyptenaren aan, maar ook ons, want ook de generaties na ons moeten van de oude schoonheid kunnen blijven genieten.


foto: Ik op kameel bij de piramides